Chris van Dam: ‘Ik moet de problematiek van de leden vertegenwoordigen’

Van de politie naar het Openbaar Ministerie, de Tweede Kamer en de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Chris van Dam heeft een brede loopbaan achter de rug. Sinds 1 oktober is hij voorzitter van ACP-CNV. Wat drijft hem, wat heeft hij onderweg geleerd en wat wil hij betekenen voor de mensen die de vakbond vertegenwoordigt?

‘Ik heb altijd een blauw hart gehad’

Chris van Dam komt niet uit een politiegezin. Zijn vader werkte in de zuivel, twee van zijn broers studeerden in Wageningen en een van hen heeft een boomkwekerij. Dat hij zelf bij de politie terechtkwam, was dan ook geen vanzelfsprekende keuze.

De belangstelling ontstond in Apeldoorn, waar hij lid was van een scoutingclub naast de Politieacademie. Iedere zaterdag liep hij erlangs. Dat wekte zijn interesse. In 1981 begon hij op achttienjarige leeftijd aan de politieopleiding. Daarna werkte hij twaalf jaar bij de politie in Den Haag, waarvan tien jaar bij de Mobiele Eenheid. Vervolgens werd hij officier van justitie bij het Openbaar Ministerie. In 2017 maakte hij de overstap naar de Tweede Kamer, waar hij onder meer voorzitter was van de Parlementaire ondervragingscommissie over de kinderopvangtoeslagaffaire. In 2023 werd hij voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Een loopbaan waarin hij steeds vanuit een andere positie naar de samenleving keek. Toch bleef de politie voor hem belangrijk. ‘Ik heb altijd een blauw hart gehad’, zegt hij.

Bron foto: CDA, initiatiefnota Ruimte voor, vertrouwen in blauw op straat 2018

Wat hem in die verschillende functies heeft geboeid, is wat er achter de schermen gebeurt. Bij de politie en het Openbaar Ministerie komt hij vaak in actie als er al iets is misgegaan. Hij wilde ook begrijpen wat daaraan voorafging. ‘Ik had in mijn loopbaan behoefte om wat meer aan de voorkant van het probleem te komen’, vertelt hij. ‘Wat is er gebeurd voordat dat huiselijk geweld plaatsvindt? Welke maatregelen zijn er dan?’ Die nieuwsgierigheid bracht hem naar de politiek, waar hij oorzaken van problemen probeerde aan te pakken. Bij de Onderzoeksraad voor Veiligheid onderzocht hij vervolgens wat er misging en wat daarvan te leren viel.

Wat je aan de buitenkant niet ziet

Van Dam heeft geleerd dat het beeld van een organisatie van buitenaf niet altijd overeenkomt met wat er binnenin gebeurt. Dat geldt ook voor de politie. Er zijn beelden over bijvoorbeeld discriminatie en politiegeweld, vertelt hij, terwijl binnen de organisatie ook veel wordt gedaan om professioneel handelen te bevorderen en elkaar aan te spreken. ‘De werkelijkheid aan de binnenkant vind ik genuanceerder dan het beeld dat sommige mensen aan de buitenkant hebben.’

Ook bij individuele mensen wil hij verder kijken dan wat iemand doet of welke functie iemand heeft. ‘Ik vind artikel 1 van de Grondwet heel belangrijk. Dat je gelijkwaardig bent.’ Je mag iets vinden van iemands daden, zegt hij, maar moet oppassen met een oordeel over de persoon. ‘Want hoe ken je die persoon nou eigenlijk? Wat speelt er aan de binnenkant? Daar hebben we vaak helemaal geen zicht op.’

Die overtuiging komt ook terug in zijn vrijwilligerswerk. Van Dam is voorzitter van een stichting die Nederlanders in buitenlandse detentie bezoekt om geestelijke verzorging te bieden. Hij noemt mensen graag ‘zinzoekers’. Ook iemand die voor een misdrijf is veroordeeld, blijft volgens hem een mens met een eigen verhaal. ‘Het is helemaal prima dat iemand voor die daad veroordeeld is. Maar dan blijft er toch nog die mens zitten, met zijn plussen en zijn minnen. En ik vind het heel belangrijk om daar aandacht aan te besteden.’

Wat hij leerde bij de ME

Dat je achter het gedrag van mensen moet kijken, leerde Van Dam ook tijdens zijn tien jaar bij de Mobiele Eenheid in Den Haag. Een voorval tijdens een demonstratie van pitbull-eigenaren op het Binnenhof is hem altijd bijgebleven. Zijn ME-sectie, zo’n twintig man sterk, kreeg de opdracht het terrein leeg te maken. Hoe ze dat voor elkaar moesten krijgen, was niet meteen duidelijk. Tot een relatief nieuwe collega vroeg of ze de microfoon mocht hebben. Van Dam gaf haar die. ‘G@#%&, allemaal van dat Binnenhof af!’ riep ze. En de demonstranten vertrokken. Van Dam vroeg haar later waarom ze dat zo had aangepakt. Haar antwoord was even eenvoudig als verrassend: het was drie uur en ze moest om half vijf haar kinderen ophalen bij de opvang.

De gebeurtenis liet hem zien hoe belangrijk het is oog te hebben voor de individuele belangen binnen een groep. Die les kwam hem later ook van pas als voorzitter van de Parlementaire ondervragingscommissie over de kinderopvangtoeslagaffaire. Voordat de commissie aan de slag ging, sprak hij met de afzonderlijke Kamerleden om te horen wat hen bezighield en waar hun zorgen lagen. ‘Als je niet doorhebt dat er in die groep ook gewoon individuen zijn die iets willen, dan kom je niet zo ver, denk ik.’

Eerst luisteren, dan vertegenwoordigen

Die les neemt Van Dam mee naar zijn nieuwe rol als voorzitter van ACP-CNV. Hij wil weten wat er leeft bij politiemensen, boa’s, politievrijwilligers en medewerkers in de bedrijfsvoering. Waar lopen zij tegenaan en wat hebben ze nodig? Daarvoor wil hij met leden in gesprek en de verschillende werkpraktijken leren kennen.

Zijn eigen ervaring bij de politie dateert van voor 1997. Hoewel hij de ontwikkelingen sindsdien heeft gevolgd, weet hij dat de praktijk is veranderd. Hij wil voorkomen dat hij zich baseert op ervaringen die niet meer aansluiten bij de werkelijkheid van nu. ‘Ik ben als de dood dat ik oude koeien uit de sloot ga zitten halen als ik een keer in een talkshow zit. Ik heb gewoon actualiteit nodig om geloofwaardig over te komen, ook naar mezelf toe.’ Contact met de praktijk helpt hem om het verhaal van de leden goed over te brengen. ‘Niets communiceer beter en overtuigender dan een concreet verhaal’, zegt hij. ‘Als je ergens bent geweest, kun je zeggen: ik was vorige week daar en daar, en daar vertelde iemand…’

Inhoudelijk heeft hij zich nog te verdiepen in dossiers als de RVU en de overgang naar de nieuwe pensioenregeling van ABP. Daarbij kan hij terugvallen op de specialisten binnen ACP-CNV. Hij hoeft niet ieder detail zelf te beheersen. ‘Mijn rol is om het te kunnen uitleggen. En soms is meer kennis eerder een last dan een genoegen.’

Als Kamerlid hield hij zich onder meer bezig met PTSS en onderzoeken van de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK). De verhalen van politiemensen vormden aanleiding om te kijken wat er moest veranderen. Dat leidde onder meer tot zijn initiatiefnota ‘Onveilig Buiten? Veilig Binnen!’ Van Dam wilde dat VIK-onderzoeken zouden worden geëvalueerd, dat er een politieombudsman zou komen en dat het tuchtrecht meer gericht zou zijn op leren en professionaliteit dan op afstraffen. Ook bij integriteitsonderzoeken vindt hij zorgvuldigheid belangrijk. Volgens hem raakt het mensen wanneer hun integriteit ter discussie wordt gesteld, terwijl het soms beter is om te kijken naar professioneel handelen. ‘Voor de meeste politiemensen is integriteit de kern van hun bestaan.’

De politie moet er ook zijn als er niets aan de hand is

Van Dam maakt zich zorgen over de afstand tussen burgers en politie. Door de vorming van de nationale politie en de groeiende vraag naar inzet voor onder meer bewaken en beveiligen, asiel, terrorisme, demonstraties, festivals en voetbalwedstrijden komt de politie volgens hem minder toe aan het werk in de wijk. Juist daar vindt hij de aanwezigheid van agenten belangrijk. Noodhulp verlenen is iets anders dan deel uitmaken van een wijk en de mensen kennen die er wonen. ‘Ik vind het ook heel belangrijk dat de politie gewoon zichtbaar is in de wijk, zodat burgers agenten kunnen aanspreken en ze elkaar leren kennen.’

Dat contact kan verschil maken als er iets gebeurt. ‘Als er een verbinding met de politie is, geldt – er zijn uitzonderingen – dat iemand die je kent minder snel een steen naar je gooit dan iemand die je niet kent.’ Gebiedsgebonden politiezorg is voor Van Dam dan ook een wezenskenmerk van de Nederlandse politie. Agenten moeten niet alleen in beeld komen als er problemen zijn. Ook bewoners kunnen bijdragen aan een veilige buurt.

In het Haagse stadsdeel Laak is bijvoorbeeld een actieve groep buurtvaders. Van Dam vertelt dat hij daar zelf in zijn ME-tijd  iedere oudejaarsnacht naartoe moest. Mede door die buurtvaders is dat nu anders.‘Je moet ook de buurt activeren om ervoor te zorgen dat het veilig blijft.’ Voor de komende oudejaarsnacht zoekt hij nog een plek waar hij kan meelopen.

Ruimte voor de kracht van boa’s

Van Dam heeft veel waardering voor de kennis en vaardigheden van boa’s. Hij vindt dat hun expertise en bevoegdheden soms worden onderschat. ‘Laten we maar gewoon zeggen zoals het is: een boa heeft vaak meer kennis van bevoegdheden dan een diender, en soms ook meer bevoegdheden.’ Volgens hem hebben boa’s een eigen vak en verdienen ze het om als professionals serieus genomen te worden. Ook binnen ACP-CNV vormen ze een belangrijke groep. Hun betrokkenheid noemt hij ‘ongelooflijk waardevol’.

Een sterke vereniging binnen CNV

Chris van Dam, tijdens de                                Eenheidsbesturendag

Sinds de overgang van ACP naar CNV ziet Van Dam kansen om de kennis en ondersteuning van de bredere vakbeweging te benutten. Tegelijkertijd wil hij behouden wat ACP heeft opgebouwd. Vooral het landelijke netwerk van actieve leden, eenheidsbestuurders, IBB’ers en vrijwilligers maakt indruk op hem. ‘We zijn bijzonder met dat enorme, stevige netwerk in het land.’

Voor Van Dam is duidelijk dat ACP-CNV niet zonder de inzet van vrijwilligers kan. Zij houden de vereniging lokaal zichtbaar, brengen signalen uit de praktijk mee en zorgen voor contact met de leden. Hun kennis, ervaring en betrokkenheid zijn onmisbaar. Hij wil dat vrijwilligers zich gewaardeerd voelen en ook op latere leeftijd bij de vereniging betrokken blijven.

Daarom wil hij de lijnen tussen de vereniging en de leden kort houden. Hij wil de eenheidsbesturen wekelijks per e-mail bijpraten over ontwikkelingen binnen CNV en ACP-CNV. Andersom hoopt hij dat de bestuurders hem laten weten wat er bij de leden speelt. Zo moet informatie niet alleen vanuit het bestuur naar de leden gaan, maar ook andersom. ‘Gewoon om mensen up-to-date te houden, in de hoop dat er een soort cirkel ontstaat waarin zij mij ook up-to-date houden over wat daar gebeurt.’ Hij vindt dat de inzet van vrijwilligers niet zomaar moet stoppen wanneer ze 67 zijn. ‘Nou, ik zal ervoor knokken om de vrijwilligers betrokken te houden bij het werk van de ACP, ook binnen het CNV.’

De samenwerking met CNV biedt kansen om kennis en ervaring uit andere sectoren te benutten. Tegelijkertijd kan de politie ook iets toevoegen aan de bredere vakbeweging. ‘Ik denk dat de politie toch wel een enorme can-do-mentaliteit heeft en van aanpakken weet. Soms is aanpakken ook beter dan weer overleggen.’

Voor de toekomst van ACP-CNV kijkt Van Dam verder dan zijn eigen voorzitterschap. Over ongeveer vier jaar hoopt hij een opvolger klaar te hebben staan. ‘Een frisse opvolger’, zegt hij. ‘Dat mag dan wel iemand zijn die misschien twintig of dertig jaar jonger is dan ik. En een vrouw zou ook weleens leuk zijn. Maar het moet om de kwaliteit van de persoon gaan.’

Terug naar de mensen

Van Dam is getrouwd met Erica, die lesgeeft aan groep drie op een basisschool in Scheveningen. Ook hun kinderen hebben ieder op hun eigen manier een rol in de samenleving. Hun zoon is luitenant bij de Koninklijke Marechaussee, hun oudste dochter werkt bij de gemeente Den Haag en is actief bij de reddingsbrigade. De jongste studeert rechten en geschiedenis in Leiden. Dat zijn vrouw en kinderen zich op hun eigen manier voor anderen inzetten, vindt Van Dam mooi om te zien. ‘Ja, dat zit er wel in.’

Die persoonlijke en maatschappelijke betrokkenheid vormt ook de basis voor zijn voorzitterschap. Bij ACP-CNV draait het voor Van Dam uiteindelijk om de mensen voor wie de bond opkomt: politiemensen, boa’s, medewerkers in de bedrijfsvoering en politievrijwilligers. Hun dagelijkse praktijk en belangen staan centraal in alles wat hij doet. Zoals hij het zelf samenvat: ‘Ik moet de problematiek van de leden vertegenwoordigen. Dat is het enige wat telt.’